de hangmakers

de hangmakers


Alle wegen leiden naar Zonnedorp? Werken aan jeugdvriendelijke publieke ruimte

11 jun, 2024

– door Sander Van Thomme, UGent,  15 mei 2024

Het concept jeugdvriendelijkheid wordt in verschillende contexten toegepast, zo ook in de context van de publieke ruimte. Wat is jeugdvriendelijke publieke ruimte echter? Wat bepaalt of een ruimte wel of niet jeugdvriendelijk is? Gaat het om de inrichting van de ruimte? De participatie van kinderen en jongeren in het vormgeven aan die inrichting? Of spelen nog andere elementen een rol? In deze bijdrage bespreek ik de betekenis van publieke ruimte en pleit ik voor een benadering van jeugdvriendelijke publieke ruimte die de focus legt op het publiek karakter van deze ruimte. Dit perspectief wordt uit de doeken gedaan aan de hand van de resultaten van recent onderzoek naar de ervaringen van jongeren in de publieke ruimte in drie Brusselse wijken. 

Voorbij het zonnedorp-ideaal

De manier waarop we naar publieke ruimte kijken, wordt sterk gevoed door enkele aannames[1]: (1) de publieke ruimte is vredig en (2) staat open voor iedereen. Dit zonnedorp-ideaal – de publieke ruimte als conflictvrije speeltuin voor kinderen, jongeren en volwassenen – strookt echter niet met de realiteit. De publieke ruimte is namelijk een essentieel gecontesteerde plaats[2]. Verschillende groepen (bijv. politie, langdurige bewoners, nieuwkomers…) oefenen op verschillende manieren macht en invloed uit[3] en proberen op deze manier controle te verwerven over de publieke ruimte. Het is net die dominantie van bepaalde groepen die de publieke ruimte soms vredig doet ogen[4]. De dominante meerderheid bepaalt namelijk de onzichtbare regels over wat wel en niet kan[5] en gaat de naleving ervan ook controleren.

Het zonnedorp-ideaal vertrekt vanuit een ideale jongere in een ideale ruimte en is dan ook niet alleen onbereikbaar, maar bovendien ook onwenselijk. Het leidt namelijk steeds weer tot uitsluiting van – vaak kwetsbare – groepen uit de publieke ruimte, aangezien het onvermijdelijk gepaard gaat met de uiting van macht, ten koste van zij in de minst machtige positie. Toch blijft dit ideaal kleuren hoe we kijken naar de publieke ruimte en hoe er omgegaan wordt met de aanwezigheid van jongeren in die ruimte. Getuige hiervan zijn de frequente berichten over ‘overlast’ door rondhangende jongeren. Sommige jongeren voldoen niet aan het ideaal en stellen het dominante gebruik van de publieke ruimte in vraag[6], wat aanleiding geeft tot – veelal sanctionerende – maatschappelijke antwoorden ten aanzien van hun aanwezigheid. Deze zijn voornamelijk gericht op gedragsregulering en hebben de neiging om het sociale leven in de publieke ruimte te organiseren en te normaliseren op basis van een normatieve invulling van wat ‘(on)gewenst’ is in een bepaalde situatie of context[7]. Op deze manier worden niet alleen bepaalde jongeren of bepaalde manieren van aanwezig zijn in de publieke ruimte per definitie uitgesloten, zo wordt ook de kracht van de publieke ruimte als podium voor stedelijk samenleven[8] tenietgedaan.

Het publiek karakter van de publieke ruimte

Vertrekken vanuit het zonnedorp-ideaal houdt dus het risico in om bestaande ongelijkheden te vergroten. Om werk te maken van een jeugdvriendelijke publieke ruimte, moet er dus anders gekeken worden naar die ruimte. Daarvoor is het zinvol om terug te keren naar de basis, naar wat het publieke – het publiek karakter – van de publieke ruimte precies inhoudt. Dit kan namelijk naar verschillende zaken verwijzen: Is het publiek omdat het gerelateerd is aan de staat? Omdat het toegankelijk is voor iedereen? Omdat het van belang is voor iedereen?

Noch in de praktijk, noch in de literatuur bestaat hier eensgezindheid over. Gert Biesta[9] levert echter een interessante bijdrage aan het debat. Hij wijst op de politieke betekenis van de publieke sfeer. De waarden die op het spel staan in de publieke sfeer zijn namelijk politieke waarden en de publieke ruimte is voor hem dan ook in essentie een plaats die politieke actie mogelijk maakt: een plaats waar mensen publiek kunnen worden zonder voorschrift van wat gepast of ongepast gedrag is. Het publiek karakter van de publieke ruimte kan tot uiting komen op het moment dat skaters in het straatbeeld – op trappen, op banken – beginnen skaten. Op het moment dat vrouwen beginnen dansen in een – door mannen overheerst – park. Op het moment dat bewoners beginnen ontbijten op een plein. Het gaat dan om het zichtbaar maken – en erkennen – van manieren van zijn die voorheen niet mogelijk waren en het voortdurend onderhandelen over wie wat mag doen in de publieke ruimte.

JOP-onderzoek Brussel[10]

In het hieronder voorgestelde onderzoek wordt vanuit dit perspectief gekeken naar de kwaliteit van de publieke ruimte en de betekenis van deze ruimte voor jongeren. Het onderzoek werd tussen maart en september 2023 uitgevoerd voor het Jeugdonderzoeksplatform (JOP), in opdracht van de Vlaams minister van Jeugd. Door middel van een combinatie van observaties, focusgroepen en interviews met jongeren (N=53; 14-26 jaar), professionals en beleidsmakers (N=9) werden de vrijplaatsen voor jongeren in drie sterk verschillende Brusselse buurten onderzocht: een sociale hoogbouwwijk in een groene omgeving (Peterbos), een etnisch diverse 19e eeuwse arbeiderswijk (Brabantwijk) en een commercieel georiënteerde buitenwijk (Stokkel).

Beschikbaarheid onder druk

Uit het onderzoek blijkt dat net in die onderzochte buurten met een hoge bevolkingsdichtheid en een vaak beperkte, weinig kwalitatieve private ruimte, de beschikbaarheid van kwalitatieve publieke ruimte het meest onder druk staat. Ofwel is de publieke ruimte – naast straten of parkeerruimte – beperkt, ofwel is er wel ruimte, maar is ze weinig ingericht of is de inrichting verouderd. Nochtans bleek uit het onderzoek dat vooral in die buurten de nood aan publieke ruimte het hoogst was.

R7: Maar het is ook een wijk, naar mijn gevoel ook, die enorm veel buiten leeft, ten opzichte van andere wijken. Nochtans is er heel weinig…
[…]
R4: Maar je hebt nog steeds in de winter eigenlijk, want er zijn hier zo gigantische families, die hebben keikleine plaatsen, dus die zoeken echt naar plaatsen om zelf in slecht weer naartoe te gaan. Ze hebben gewoon geen plaats.
(Focusgroep Brabantwijk, 21 mei 2023)

Bruikbaarheid onder druk

In sommige buurten wordt de publieke ruimte sterk geprivatiseerd. Ze wordt slechts beperkt gebruikt door jongeren en andere bewoners en als ze dan toch gebruikt wordt, dan is het voornamelijk voor private of commerciële functies. Zo wordt ze gebruikt om zich te verplaatsen tussen private eilanden zoals thuis of de jeugdbeweging, of wordt ze gebruikt als terrasruimte voor bars.

Ik denk vooral onbewust. Zoals de straat… om te wandelen of gewoon mij te verplaatsen naar school, naar mijn stage, naar de bib. Euh ja… voila… ik denk dat publieke ruimte vooral onbewust is en als je er dan wel gebruik van maakt, dat je het dan niet onder publieke ruimte steekt, maar gewoon als omgeving.
(Focusgroep Stokkel, 31 maart 2023)

Andere manieren van aanwezig zijn in de publieke ruimte – die deze private functies bevragen – worden volgens de jongeren al snel in vraag gesteld. Dit leidt tot exclusie en stigmatisering van bepaalde jongeren.

R3: Ze storen ons. Ze zeggen vaak dat we hen storen, maar wij storen nooit, we doen geen kwaad…
I: Ze vinden dat jullie storend zijn?
R3: Maar wij zijn nooit storend.
R2: Zij hebben het idee dat wij hen storen, we mogen niet meer spelen op plaatsen voor hun deur. We vormen een schandaal omdat we voor hun deur spelen, maar de regels hier zijn dat we tot 21u of 22u geluid mogen maken… maar wanneer het nog maar 18u is, volgen er soms al klachten.
(Focusgroep Vriendschapswijk, 20 september 2023)

In andere buurten veranderen de ruimtelijke claims van sommige – voornamelijk mannelijke – gebruikers van de publieke ruimte deze in een parochiale ruimte. In dergelijke ruime is een parochiale sfeer dominant. Deze sfeer wordt volgens Lofland[11] gekenmerkt door een sterk gemeenschapsgevoel, een gevoel van familiariteit onder zij die tot deze gemeenschap behoren of het gevoel hebben ertoe te behoren, maar ook uitsluiting van zij die zich er geen deel van voelen. Dit gaat dan bijvoorbeeld om sommige jongeren, in het bijzonder meisjes. Dit wordt nog verder aangetoond door de aanwezigheid van een sterk subjectief onveiligheidsgevoel, wat ertoe leidt dat sommige jongeren zich welkom voelen, terwijl andere jongeren zich juist weggeduwd voelen.

R4: Ja, zo catcalling enzo
R2: Of als er zo een groep jongens op een bankje zit, om daar dan langs te lopen…
R4: Een groep jongens die je uitscheldt ofzo…
R3: Zo een keigrote groep jongens. Die hebben sowieso recht om daar te zijn, maar dat maakt het wel zo van “Ik ga hier niet blijven”.
R4: Maar als die gewoon zo bij elkaar blijven, dan gaat dat eigenlijk wel, ik vind dat niet zo erg. Maar vanaf het moment dat die commentaar geven op iemand die passeert of vanaf dat ze anderen beginnen lastigvallen omdat ze verveeld zijn.
(Focusgroep Brabantwijk, 23 mei 2023)

De publieke ruimte als mede-opvoeder

De gesprekken met de jongeren maakten duidelijk dat de beperkte beschikbaarheid van de publieke ruimte in buurten waar de private ruimte en de financiële mogelijkheden van bewoners beperkt zijn, op een dubbele manier doorwerkt. Niet alleen komen de mogelijkheden van jongeren om feitelijk aanwezig te zijn onder druk te staan, het zorgt ook voor negatieve ervaringen van burger zijn: het leidt tot frustraties bij jongeren en het gevoel van geen tel te zijn.
Niet alleen de beschikbaarheid van de publieke ruimte speelt echter een rol in de beleving van deze ruimte door jongeren. Ook de bruikbaarheid is van belang. Door processen van parochialisering of privatisering komt de betekenis van de publieke ruimte als plaats die politieke actie mogelijk maakt namelijk onder druk te staan. Dit leidt ertoe dat in beide gevallen een publiek (e.g. bepaalde jongeren, meisjes…) uit de publieke ruimte geduwd dreigt te worden, maar ook dat het publiek karakter van de publieke ruimte onder druk staat.

In beide gevallen is er namelijk een consensus over wie op welke manier aanwezig mag zijn, wat uitgedragen wordt via vormen van directe en sociale controle. Dit wordt gevoed door bepaalde verwachtingen van de ideale jongere en het ideale gedrag in de publieke ruimte. Uit het onderzoek blijkt dat deze idealen sterk verschillen tussen verschillende buurten, maar dat ze wel telkens een grote impact hebben op hoe jongeren aanwezig mogen zijn en op hun ervaringen in de buurt. Afhankelijk van de buurt is er daardoor voor sommige jongeren of voor bepaalde manieren van aanwezig zijn weinig mentale ruimte. Hierdoor wordt hun aanwezigheid of gedrag snel geproblematiseerd. Jongeren krijgen zo enerzijds verwachtingen mee van wat een goede jongere en gepast gedrag is, maar krijgen anderzijds ook het gevoel er niet te mogen zijn wanneer ze hier niet aan voldoen. Dit kan er ook toe leiden dat ze niet meer aanwezig willen zijn en zet de manier waarop ze zich burger voelen onder druk[12]. Bovendien worden doorheen de verschillende sferen in verschillende buurten ook andere waarden en andere beelden van wat een goede samenleving is uitgedragen. In de private sfeer staan (de ontwikkeling van) het individu, private netwerken, commerciële belangen en individuele belangen centraal. Binnen de parochiale sfeer staan de eigen gemeenschap, daarbinnen geldende normen en waarden en gemeenschapsbelangen centraal. Het gevolg hiervan is dat jongeren opgroeien zonder een gevoel van publiek goed en gemeenschappelijk belang en zonder ervaringen van democratie in de publieke ruimte[13].

Dit alles samen leert jongeren – al dan niet bewust – heel wat over de samenleving en de eigen positie in die samenleving. Afhankelijk van de buurt en de kenmerken van de jongeren zelf is dat echter erg verschillend. Het onderzoek maakt zo duidelijk dat de publieke ruimte niet louter een achtergrond is waartegen opvoeding en ontwikkeling plaatsvindt, maar een mede-opvoeder[14] is die mee vormgeeft aan de relatie tussen jongeren en de samenleving. De publieke ruimte en het vormgeven aan die ruimte is dan ook niet neutraal, maar heeft steeds een pedagogische betekenis.

Bezorgdheid om het publiek karakter

Het bewerkstelligen van bijkomende mogelijkheden waarop en ruimte waarin jongeren aanwezig kunnen zijn, is dus nog steeds van groot belang, in het bijzonder in die buurten waar bewoners veel terugvallen op die publieke ruimte. Er is daarnaast ook nood aan een bewustzijn van en een bezorgdheid om het publiek karakter en de pedagogische betekenis van de publieke ruimte. Er moet dus niet alleen stilgestaan worden bij hoe jongeren aanwezig kunnen zijn in de publieke ruimte, maar ook bij de manier waarop ze aanwezig mogen en willen zijn, wat hen dat leert over de samenleving en hun eigen positie erin en de wenselijkheid van deze pedagogische betekenis.
Bij het streven naar jeugdvriendelijke ruimte mogen we dan ook niet vervallen in een streven naar een homogene publieke ruimte door exclusie van bepaalde groepen. Vaak bevinden zij zich reeds in een kwetsbare positie en zijn ze voor verschillende zaken aangewezen op de publieke ruimte. Het is eerder een kwestie van het (her)bevestigen van het publiek karakter en het publieke belang en het verruimen van de ontplooiingsmogelijkheden van kinderen, jongeren én volwassenen. Dat betekent niet dat alles kan of dat gedragsregulerende maatregelen niet mogelijk zijn, maar wel dat deze niet los kunnen staan van een debat over waar jongeren en andere bewoners dan wel aanwezig kunnen, mogen en willen zijn en de structurele, maatschappelijke condities waarin ze leven. Ook jongeren zijn zich daar zelf bewust van.

R7: Ze proppen ook alle mensen die minder kansrijk zijn samen en dat creëert ook ineens een plaats met keiveel vuil en… allez, dat hoort vaak samen of dat je het wilt of niet. En dat heeft niets te maken met of dat je arm bent of rijk, maar het is feit van iedereen wordt daarin gepropt. Je hebt dan ook niet het gevoel dat je welkom bent en je wilt ook niet welkom zijn voor anderen en… dat is volgens mij dan een geheel.
(Focusgroep Brabantwijk, 23 mei 2023)

Om dit mogelijk te maken is het belangrijk om structurele ongelijkheden te bevragen, maar is het ook nodig dat de bestaande orde onderbroken kan worden. Daarvoor moet er ruimte zijn of gemaakt worden voor politieke actie of dissensus: het toelaten van nieuwe elementen of nieuwe manieren van zijn die er op het eerste gezicht niet thuis lijken te horen. Het gaat dan dus niet om het per definitie uitsluiten van bepaalde gebruikers van of bepaald gedrag in de publieke ruimte, maar wel om het openbreken van de situatie zoals ze is en wie op welke manier aanwezig mag zijn. Aandacht voor de historische, economische en sociale context van een buurt en zijn bewoners is hiervoor cruciaal.

Daarvoor is het belangrijk om te investeren in aanwezigheid in buurten, in de leefwereld van bewoners. Dat kan door zelf rond te hangen, te observeren, of door te investeren in professionals die vertrekken vanuit de publieke ruimte en de buurt door en door kennen. Daarbij moet het gaan om meer dan vindplaatsgericht werken gericht op doorstroming naar andere pedagogische omgevingen. Het is belangrijk om ook professionals en praktijken te hebben die aan de slag gaan in en met de publieke ruimte zelf. Zij kunnen mediëren tussen verschillende gebruikers en gebruiken, en jongeren ondersteunen in hun activiteiten of acties die de bestaande orde in de publieke ruimte in vraag stellen. Het gaat dan om professionals zoals buurtwerkers, straathoekwerkers of (jeugd)opbouwwerkers die politiserend werken, de belangen van kinderen en jongeren verbinden met die van volwassenen en oog hebben voor structurele ongelijkheden.

Alle wegen leiden naar Zonnedorp?

Momenteel lijken dit soort professionals en dit soort praktijken echter nog vaak afwezig te zijn. Vandaar mijn pleidooi om op een andere manier te kijken naar de publieke ruimte en het vormgeven aan jeugdvriendelijke publieke ruimte. Niet als product, maar als een proces[15], een kwaliteit van de publieke ruimte die nooit af is en als dusdanig steeds opnieuw bevestigd moet worden. Dit vergt inspanningen en investeringen in het publiek karakter van de publieke ruimte, maar is belangrijk om niet in de val van het Zonnedorp-ideaal te trappen. Niet alle wegen leiden namelijk naar Zonnedorp!

Bronnen

[1] De Backer, M. (2016). The Publicness Paradox: Young people and the production of parochial places. Environnement Urbain/Urban Environment, 10, 1-20. Gedownload op 15 november 2023, van https://eue.revues.org/142

[2] Cahill, C. (2000). Street Literacy: Urban Teenagers’ Strategies for Negotiating their Neighbourhood. Journal of Youth Studies, 3(3), 251-277. doi:10.1080/71368437

[3] Cahill, C. (2000). Street Literacy: Urban Teenagers’ Strategies for Negotiating their Neighbourhood. Journal of Youth Studies, 3(3), 251-277. doi:10.1080/71368437

[4] De Backer, M. (2016). The Publicness Paradox: Young people and the production of parochial places. Environnement Urbain/Urban Environment, 10, 1-20. Gedownload op 15 november 2023, van https://eue.revues.org/142

[5] Moris, M. (2021, 7 december). ‘Wie het meest nood heeft aan publieke ruimte, heeft die het minst’. Sociaal.Net. Geraadpleegd op 29 maart 2024, op https://sociaal.net/achtergrond/sociale-ongelijkheid-in-publieke-ruimte/

[6] Pleysier, S. (2021). ‘No ball games’: de regulering van het gedrag van jongeren in de publieke ruimte. In N. Van Ceulebroeck, I. Pichal, C. Peeters, & D. Reynaert (Eds.), Dwalen met een doel: Lokaal kiezen voor kindvriendelijkheid (pp. 101-114). Bataljong vzw.

[7] Pleysier, S. (2021). ‘No ball games’: de regulering van het gedrag van jongeren in de publieke ruimte. In N. Van Ceulebroeck, I. Pichal, C. Peeters, & D. Reynaert (Eds.), Dwalen met een doel: Lokaal kiezen voor kindvriendelijkheid (pp. 101-114). Bataljong vzw.

[8] Moris, M. (2021, 7 december). ‘Wie het meest nood heeft aan publieke ruimte, heeft die het minst’. Sociaal.Net. Geraadpleegd op 29 maart 2024, op https://sociaal.net/achtergrond/sociale-ongelijkheid-in-publieke-ruimte/

[9] Biesta, G. (2012). Becoming public: public pedagogy, citizenship and the public sphere. Social & Cultural Geography, 13(7), 683-697. doi:10.1080/14649365.2012.72373

[10] Van Thomme, S., Lagaert, S., & Bradt, L. (2023). JOP-rapport kortlopend onderzoek Brussel. Perspectieven van Brusselse jongeren op de vrijplaatsen in hun buurt. Gedownload op 29 maart 2024, van http://hdl.handle.net/1854/LU-01HGZWZ1CMB96R7JQ6SB5SFW3A

[11] Lofland, L. (1989). The Morality of Urban Public Life: The Emergence and Continuation of a Debate. Places, 6(1), 18-23. Gedownload op  24 april 2024, van https://escholarship.org/uc/item/3k82388j

[12] Biesta, G., Lawy, R., & Kelly, N. (2009). Understanding young people’s citizenship learning in everyday life: The role of contexts, relationships and dispositions. Education, Citizenship and Social Justice, 4(5), 5-24. doi:10.1177/1746197908099374

[13] Biesta, G. (2012). Becoming public: public pedagogy, citizenship and the public sphere. Social & Cultural Geography, 13(7), 683-697. doi:10.1080/14649365.2012.72373

[14] De Visscher, S. (2015). The ideal child in the ideal city? The city as a co-educator. Gedownload op 20 februari 2023, van https://www.researchgate.net/publication/283462875_The_ideal_child_in_the_ideal_city_The_city_as_a_co-educator

[15] De Visscher, S. (2016). The subjectification of the child friendly city. Gedownload op 20 februari 2023, van https://www.researchgate.net/publication/310678339_The_subjectification_of_the_child_friendly_city_Keynote_paper

Lees het volledige artikel


Ga mee op pad!

03 jun, 2024

In mei ’24 stappen we op drie plekken in Vlaanderen en Brussel de bus op om in verschillende gemeenten te gaan rondhangen. Waarom? Omdat rondhangen een heerlijke vrijetijdsbesteding is. OK, en ook om kennis te maken met dit fenomeen en hoe lokale besturen hiermee omgaan in verschillende contexten. En ook omdat de zon in mei (bijna) altijd schijnt en we daar allemaal nood aan hebben. En vooral, rondhangen wordt op elke plek anders beleefd, dat heeft te maken met heel veel verschillende factoren en elke inwoner gaat daar anders mee om. Dat zijn leerkansen die we niet mogen laten liggen.

Lees meer

Ontdek de praktijkverhalen hier


De camera draait – actie!

24 jun, 2024

Dit opiniestuk van Dries Dingenen verscheen op 25 maart 2024 in De Standaard.

Meneer De Wever stelt in een recent artikel in De Standaard (19/3) dat de Antwerpenaren die hij spreekt hem nog nooit gevraagd hebben waarom er camera’s in hun buurt hangen, maar wel waarom er nog geen camera’s hangen. Deze stelling strookt niet met bevindingen die voortkomen uit een studie die we gevoerd hebben naar de beleving van de openbare ruimte en waarin we in gesprek zijn gegaan met jongeren uit de wijk Seefhoek. In deze veelbesproken buurt van Antwerpen heeft ‘Big Brother’ een duidelijke invloed op hoe jongeren de openbare ruimte ervaren en dus ook op het mentaal welzijn van deze jongeren.

Voor de studie ‘Een plek op maat en met mate(n) – Onderzoek naar Kinderrechten, Openbare Ruimte en Welzijn’, hebben we vanuit het ‘Expertisecentrum PXL People & Society Research’ van de Hogeschool PXL in Hasselt onderzocht wat jongeren belangrijk vinden aan de openbare ruimte en hoe de beleving van de openbare ruimte bijdraagt aan het welbevinden van jongeren. In dit nog vrij te geven onderzoek werd de toename aan camera’s in de openbare ruimte meermaals besproken door de deelnemende jongeren, die zowel uit een rurale als stedelijke context komen. Terwijl meerdere jongeren aangeven dat camera’s in de openbare ruimte het gevoel van veiligheid kunnen vergroten, vinden heel wat andere jongeren, vooral zij die in hun buurt effectief met camera’s geconfronteerd worden, dat de veelheid aan camera’s in de openbare ruimte een negatieve invloed op hun beleving van de openbare ruimte heeft.

Het viel tijdens een focusgroepsgesprek met jongeren uit de Seefhoekwijk op dat zij spontaan over de vele camera’s in hun buurt begonnen te spreken. De jongeren gaven aan dat zij zich heel de tijd bekeken voelen en dat het lijkt alsof iemand je de hele tijd volgt en met een smartphone filmt. Zo hebben verscheidene jongeren meerdere camera’s in hun straat hangen, zien zij de camera’s bewegen als zij voorbijkomen en tijdens het voetballen op de pleintjes hebben de camera’s een invloed op hun spel. Ze willen niet bekeken worden, het stoort namelijk als zij hun voetbalmatch spelen. In plaats van te investeren in camera’s vragen zij meer kwaliteitsvolle sport- en ontspanningsmaterialen op de pleintjes waar zij samenkomen, zich ontspannen en sporten. Dat gaat dan over goals in hout en niet in ijzer, voetbalkooien waaraan zij zich niet kunnen snijden, een plaats waar zij droog kunnen blijven bij regen en een ondergrond die niet van beton of steen is. Al te vaak scheuren hun kleren en hebben zij blessures tijdens het sporten. Zo hebben ze twee keer prijs: als ze zich pijn doen en nadien als ze op het matje geroepen worden omdat hun kleren kapot zijn.

Het gaat hier effectief over de pleintjes waarnaar in het recente artikel verwezen wordt als plaatsen waar hangjongeren voor nachtlawaai zorgen in de zomer. Opnieuw wordt ‘hangen’ hierdoor op een negatieve manier in beeld gebracht en wordt het dominant en negatief beeld van ‘hangjongeren’ versterkt. Dit beeld strookt niet met wat sociaalwetenschappelijk onderzoek herhaaldelijk heeft aangetoond, nl. dat rondhangen in de openbare ruimte wel degelijk belangrijk is voor de psychosociale ontwikkeling van jongeren. Zo werd in Vlaanderen het belang van rondhangen voor jongeren meer dan een decennium geleden al beklemtoond binnen de ‘Hangman-campagne’. Zeer recent werd deze campagne nieuw leven ingeblazen onder de noemer ’De Hangmakers’: een pleidooi voor rondhangen in de publieke ruimte met bijhorende handvatten voor een krachtig rondhangbeleid, een game om het gesprek tussen jongeren, jeugdambtenaren en beleidsmakers te stimuleren en verscheidene principes van een sterke rondhangvisie. Binnen die visie wordt ronghanden als een recht van iedere jongere gezien, hetgeen in lijn ligt met het actieplan ‘Mee(r) naar buiten?!’ dat Vlaams Minister van jeugd, Benjamin Dalle, in april van vorig jaar lanceerde. De minister wil jongeren op alle dagen van het jaar de deur uit krijgen. Voor de jongeren uit de Seefhoek die we spraken voor onze studie, komt duidelijk naar voor dat de veelheid aan camera’s hen niet stimuleert om naar buiten te komen.

Gaan de camera’s hun doel voorbij?

Opvallend is dat de jongeren uit de Seefhoek die deelnamen aan onze studie, wel tevreden zijn over de ‘bodycams’ die de Antwerpse politie tegenwoordig draagt. Volgens de jongeren wordt er hierdoor op een rustigere manier met hen omgegaan. Tijdens het gesprek geven de jongeren aan dat de vaste camera’s in hun buurt oorspronkelijk geïnstalleerd werden om de drugscriminaliteit aan te pakken. Zij erkennen het belang van deze maatregel ten zeerste. De jongeren geven zelfs aan dat bepaalde straten in hun buurt best vermeden worden, zeker als meisje of als vrouw. Dit neemt niet weg dat de veelheid aan camera’s in hun buurt al lang niet meer enkel voor drugscriminaliteit worden ingezet. De jongeren spreken over ervaringen van vrienden waarbij een vergeten blikje cola op een bank enkele weken later tot een boete in de brievenbus leidt. Het klopt dat blikjes in de vuilnisbak horen, maar voor jongeren van dertien à veertien jaar zijn zulke boetes zeer moeilijk te bekostigen. Zulke ervaringen met de ‘grote broer van ’t Stad’ zorgt er volgens de jongeren voor dat zij zich niet meer durven uit te leven, je zou maar eens een bal verkeerd trappen.

“Als je niets verkeerd doet, heb je ook niets te vrezen van camera’s in de openbare ruimte!’” noteerden we meermaals uit de mond van jongeren in onze studie. Deze stelling kreeg telkens ook tegenwind van andere jongeren omdat ze niet de kern van de zaak raakt. De jonge-ren in onze studie hadden dus ook geen eenduidige visie op de materie. Daarnaast komt naar voor dat camera’s de bewegingsvrijheid en het spelplezier van sommige jongeren kunnen inperken. In onze studie brengen we deze bevinding in relatie met de notie van mentaal welbe-vinden door te stellen dat een negatieve beleving van de openbare ruimte ervoor kan zorgen dat jongeren in mindere mate naar buiten gaan, hetgeen hun ontwikkelings- en ontplooiingsmogelijkheden, hun autonomie en hun identiteitsontwikkeling niet ten goede kan komen. Vanuit deze vaststelling lijkt het relevant om na te denken of camera’s in de openbare ruimte ingezet moeten worden om kattenkwaad en vergetelheden te beboeten.

Jongeren betrekken bij de organisatie van de openbare ruimte

Door onderzoekers met expertise over jongeren in de openbare ruimte wordt aangegeven dat de inrichting van de openbare ruimte allesbehalve neutraal is. Meer zelfs: die inrichting geeft een maatschappelijk visie weer op de plaats van jongeren in de openbare ruimte én dus ook op hun plaats in de samenleving. Uit onze beleidsgerichte studie komt duidelijk naar voor dat jongeren graag zelf in gesprek gaan over die plaats én over de inrichting van de openbare ruimte. Ook vanuit het Vlaamse Departement Jeugd komt de klare boodschap dat jongerenparticipatie essentieel is om invulling te geven aan hun kinder- en mensenrechten en dat jongeren co-creatoren van de openbare ruimte dienen zijn. Bij het organiseren van participatie is het wel belangrijk dat de inbreng van jongeren serieus wordt genomen en dat participatie niet bij deliberatie blijft, maar ook tot beslissingen en actie leidt. Zo hebben enkele jongeren uit de Seefhoek die deelnamen aan ons onderzoek al meermaals hun zeg mogen doen over de organisatie van de openbare ruimte in hun wijk. Deze initiatieven hebben echter weinig positief gevolg gekregen, integendeel zelfs, de jongeren zien de zitbanken op hun favoriete hangplekken verdwijnen. Toch zijn het net die zitbanken, maar ook andere plaatsen om, liefst ook in groep, met vrienden af te spreken die door jongeren naar voren worden geschoven als essentiële zaken om hen naar buiten te krijgen. Niet alleen investeren in camera’s lijkt daarom de boodschap, maar ook inzetten op bestaande initiatieven zoals jeugdwerkingen en jeugdraden, op dialoog tussen de vele gebruikers van de openbare ruimte en ook toelaten dat jongeren zich plekken in de openbare ruimte eigen maken, en dit proces zelfs faciliteren, zodat zij volwaardig deel kunnen uitmaken van onze samenleving.

Lees het volledig onderzoek


De Hangmakers gelanceerd met een knal

24 jun, 2024

Donderdag 14 maart 2024, 11u28. De plenaire zaal van het provinciaal vormingscentrum in Malle loopt stilaan vol. De Bataljong-vormingstweedaagse loopt inmiddels op kruissnelheid en over enkele minuten wordt het nagelnieuwe project De Hangmakers gelanceerd. 230 jeugdambtenaren uit alle windstreken – van Koksijde tot Riemst en van Essen tot Halle –  maken zich op voor een sofagesprek over tieners en jongeren die rondhangen in de publieke ruimte. Een 30-tal partnerorganisaties en schepenen van jeugd die zojuist deelnamen aan een netwerkreceptie schuiven aan.  

Lees meer

Herbeleef de lancering


Podcast publieke ruimte

03 jun, 2024

Sven De Visscher (HoGent) en Gerben Helleman (Haagse Hogeschool) nemen ons mee in hun kijk op de publieke ruimte.
Gedurende drie kwartier wisselen ze feiten en gedachten uit over het belang van publieke ruimte voor kinderen en jongeren.

Lees meer

Beluister de podcast


Herbekijk de eerste Hangmakers-webinar

03 jun, 2024

23 januari 2024 – een doordeweekse dinsdag zou je denken. Maar niet voor De Hangmakers. Onze webinar ‘een pleidooi voor rondhangen’ vormde het startschot van een jaar voor rondhangen. Hiervoor bundelen Bataljong en Netwerk Jeugdvriendelijk – samen met heel wat diverse partners – de krachten.

Herbekijk hier de webinar en word zo mee een Hangmaker.

Recensie hier
Long read
Alle wegen leiden naar Zonnedorp? Werken aan jeugdvriendelijke publieke ruimte

– door Sander Van Thomme, UGent,  15 mei 2024

Het concept jeugdvriendelijkheid wordt in verschillende contexten toegepast, zo ook in de context van de publieke ruimte. Wat is jeugdvriendelijke publieke ruimte echter? Wat bepaalt of een ruimte wel of niet jeugdvriendelijk is? Gaat het om de inrichting van de ruimte? De participatie van kinderen en jongeren in het vormgeven aan die inrichting? Of spelen nog andere elementen een rol? In deze bijdrage bespreek ik de betekenis van publieke ruimte en pleit ik voor een benadering van jeugdvriendelijke publieke ruimte die de focus legt op het publiek karakter van deze ruimte. Dit perspectief wordt uit de doeken gedaan aan de hand van de resultaten van recent onderzoek naar de ervaringen van jongeren in de publieke ruimte in drie Brusselse wijken. 

Voorbij het zonnedorp-ideaal

De manier waarop we naar publieke ruimte kijken, wordt sterk gevoed door enkele aannames[1]: (1) de publieke ruimte is vredig en (2) staat open voor iedereen. Dit zonnedorp-ideaal – de publieke ruimte als conflictvrije speeltuin voor kinderen, jongeren en volwassenen – strookt echter niet met de realiteit. De publieke ruimte is namelijk een essentieel gecontesteerde plaats[2]. Verschillende groepen (bijv. politie, langdurige bewoners, nieuwkomers…) oefenen op verschillende manieren macht en invloed uit[3] en proberen op deze manier controle te verwerven over de publieke ruimte. Het is net die dominantie van bepaalde groepen die de publieke ruimte soms vredig doet ogen[4]. De dominante meerderheid bepaalt namelijk de onzichtbare regels over wat wel en niet kan[5] en gaat de naleving ervan ook controleren.

Het zonnedorp-ideaal vertrekt vanuit een ideale jongere in een ideale ruimte en is dan ook niet alleen onbereikbaar, maar bovendien ook onwenselijk. Het leidt namelijk steeds weer tot uitsluiting van – vaak kwetsbare – groepen uit de publieke ruimte, aangezien het onvermijdelijk gepaard gaat met de uiting van macht, ten koste van zij in de minst machtige positie. Toch blijft dit ideaal kleuren hoe we kijken naar de publieke ruimte en hoe er omgegaan wordt met de aanwezigheid van jongeren in die ruimte. Getuige hiervan zijn de frequente berichten over ‘overlast’ door rondhangende jongeren. Sommige jongeren voldoen niet aan het ideaal en stellen het dominante gebruik van de publieke ruimte in vraag[6], wat aanleiding geeft tot – veelal sanctionerende – maatschappelijke antwoorden ten aanzien van hun aanwezigheid. Deze zijn voornamelijk gericht op gedragsregulering en hebben de neiging om het sociale leven in de publieke ruimte te organiseren en te normaliseren op basis van een normatieve invulling van wat ‘(on)gewenst’ is in een bepaalde situatie of context[7]. Op deze manier worden niet alleen bepaalde jongeren of bepaalde manieren van aanwezig zijn in de publieke ruimte per definitie uitgesloten, zo wordt ook de kracht van de publieke ruimte als podium voor stedelijk samenleven[8] tenietgedaan.

Het publiek karakter van de publieke ruimte

Vertrekken vanuit het zonnedorp-ideaal houdt dus het risico in om bestaande ongelijkheden te vergroten. Om werk te maken van een jeugdvriendelijke publieke ruimte, moet er dus anders gekeken worden naar die ruimte. Daarvoor is het zinvol om terug te keren naar de basis, naar wat het publieke – het publiek karakter – van de publieke ruimte precies inhoudt. Dit kan namelijk naar verschillende zaken verwijzen: Is het publiek omdat het gerelateerd is aan de staat? Omdat het toegankelijk is voor iedereen? Omdat het van belang is voor iedereen?

Noch in de praktijk, noch in de literatuur bestaat hier eensgezindheid over. Gert Biesta[9] levert echter een interessante bijdrage aan het debat. Hij wijst op de politieke betekenis van de publieke sfeer. De waarden die op het spel staan in de publieke sfeer zijn namelijk politieke waarden en de publieke ruimte is voor hem dan ook in essentie een plaats die politieke actie mogelijk maakt: een plaats waar mensen publiek kunnen worden zonder voorschrift van wat gepast of ongepast gedrag is. Het publiek karakter van de publieke ruimte kan tot uiting komen op het moment dat skaters in het straatbeeld – op trappen, op banken – beginnen skaten. Op het moment dat vrouwen beginnen dansen in een – door mannen overheerst – park. Op het moment dat bewoners beginnen ontbijten op een plein. Het gaat dan om het zichtbaar maken – en erkennen – van manieren van zijn die voorheen niet mogelijk waren en het voortdurend onderhandelen over wie wat mag doen in de publieke ruimte.

JOP-onderzoek Brussel[10]

In het hieronder voorgestelde onderzoek wordt vanuit dit perspectief gekeken naar de kwaliteit van de publieke ruimte en de betekenis van deze ruimte voor jongeren. Het onderzoek werd tussen maart en september 2023 uitgevoerd voor het Jeugdonderzoeksplatform (JOP), in opdracht van de Vlaams minister van Jeugd. Door middel van een combinatie van observaties, focusgroepen en interviews met jongeren (N=53; 14-26 jaar), professionals en beleidsmakers (N=9) werden de vrijplaatsen voor jongeren in drie sterk verschillende Brusselse buurten onderzocht: een sociale hoogbouwwijk in een groene omgeving (Peterbos), een etnisch diverse 19e eeuwse arbeiderswijk (Brabantwijk) en een commercieel georiënteerde buitenwijk (Stokkel).

Beschikbaarheid onder druk

Uit het onderzoek blijkt dat net in die onderzochte buurten met een hoge bevolkingsdichtheid en een vaak beperkte, weinig kwalitatieve private ruimte, de beschikbaarheid van kwalitatieve publieke ruimte het meest onder druk staat. Ofwel is de publieke ruimte – naast straten of parkeerruimte – beperkt, ofwel is er wel ruimte, maar is ze weinig ingericht of is de inrichting verouderd. Nochtans bleek uit het onderzoek dat vooral in die buurten de nood aan publieke ruimte het hoogst was.

R7: Maar het is ook een wijk, naar mijn gevoel ook, die enorm veel buiten leeft, ten opzichte van andere wijken. Nochtans is er heel weinig…
[…]
R4: Maar je hebt nog steeds in de winter eigenlijk, want er zijn hier zo gigantische families, die hebben keikleine plaatsen, dus die zoeken echt naar plaatsen om zelf in slecht weer naartoe te gaan. Ze hebben gewoon geen plaats.
(Focusgroep Brabantwijk, 21 mei 2023)

Bruikbaarheid onder druk

In sommige buurten wordt de publieke ruimte sterk geprivatiseerd. Ze wordt slechts beperkt gebruikt door jongeren en andere bewoners en als ze dan toch gebruikt wordt, dan is het voornamelijk voor private of commerciële functies. Zo wordt ze gebruikt om zich te verplaatsen tussen private eilanden zoals thuis of de jeugdbeweging, of wordt ze gebruikt als terrasruimte voor bars.

Ik denk vooral onbewust. Zoals de straat… om te wandelen of gewoon mij te verplaatsen naar school, naar mijn stage, naar de bib. Euh ja… voila… ik denk dat publieke ruimte vooral onbewust is en als je er dan wel gebruik van maakt, dat je het dan niet onder publieke ruimte steekt, maar gewoon als omgeving.
(Focusgroep Stokkel, 31 maart 2023)

Andere manieren van aanwezig zijn in de publieke ruimte – die deze private functies bevragen – worden volgens de jongeren al snel in vraag gesteld. Dit leidt tot exclusie en stigmatisering van bepaalde jongeren.

R3: Ze storen ons. Ze zeggen vaak dat we hen storen, maar wij storen nooit, we doen geen kwaad…
I: Ze vinden dat jullie storend zijn?
R3: Maar wij zijn nooit storend.
R2: Zij hebben het idee dat wij hen storen, we mogen niet meer spelen op plaatsen voor hun deur. We vormen een schandaal omdat we voor hun deur spelen, maar de regels hier zijn dat we tot 21u of 22u geluid mogen maken… maar wanneer het nog maar 18u is, volgen er soms al klachten.
(Focusgroep Vriendschapswijk, 20 september 2023)

In andere buurten veranderen de ruimtelijke claims van sommige – voornamelijk mannelijke – gebruikers van de publieke ruimte deze in een parochiale ruimte. In dergelijke ruime is een parochiale sfeer dominant. Deze sfeer wordt volgens Lofland[11] gekenmerkt door een sterk gemeenschapsgevoel, een gevoel van familiariteit onder zij die tot deze gemeenschap behoren of het gevoel hebben ertoe te behoren, maar ook uitsluiting van zij die zich er geen deel van voelen. Dit gaat dan bijvoorbeeld om sommige jongeren, in het bijzonder meisjes. Dit wordt nog verder aangetoond door de aanwezigheid van een sterk subjectief onveiligheidsgevoel, wat ertoe leidt dat sommige jongeren zich welkom voelen, terwijl andere jongeren zich juist weggeduwd voelen.

R4: Ja, zo catcalling enzo
R2: Of als er zo een groep jongens op een bankje zit, om daar dan langs te lopen…
R4: Een groep jongens die je uitscheldt ofzo…
R3: Zo een keigrote groep jongens. Die hebben sowieso recht om daar te zijn, maar dat maakt het wel zo van “Ik ga hier niet blijven”.
R4: Maar als die gewoon zo bij elkaar blijven, dan gaat dat eigenlijk wel, ik vind dat niet zo erg. Maar vanaf het moment dat die commentaar geven op iemand die passeert of vanaf dat ze anderen beginnen lastigvallen omdat ze verveeld zijn.
(Focusgroep Brabantwijk, 23 mei 2023)

De publieke ruimte als mede-opvoeder

De gesprekken met de jongeren maakten duidelijk dat de beperkte beschikbaarheid van de publieke ruimte in buurten waar de private ruimte en de financiële mogelijkheden van bewoners beperkt zijn, op een dubbele manier doorwerkt. Niet alleen komen de mogelijkheden van jongeren om feitelijk aanwezig te zijn onder druk te staan, het zorgt ook voor negatieve ervaringen van burger zijn: het leidt tot frustraties bij jongeren en het gevoel van geen tel te zijn.
Niet alleen de beschikbaarheid van de publieke ruimte speelt echter een rol in de beleving van deze ruimte door jongeren. Ook de bruikbaarheid is van belang. Door processen van parochialisering of privatisering komt de betekenis van de publieke ruimte als plaats die politieke actie mogelijk maakt namelijk onder druk te staan. Dit leidt ertoe dat in beide gevallen een publiek (e.g. bepaalde jongeren, meisjes…) uit de publieke ruimte geduwd dreigt te worden, maar ook dat het publiek karakter van de publieke ruimte onder druk staat.

In beide gevallen is er namelijk een consensus over wie op welke manier aanwezig mag zijn, wat uitgedragen wordt via vormen van directe en sociale controle. Dit wordt gevoed door bepaalde verwachtingen van de ideale jongere en het ideale gedrag in de publieke ruimte. Uit het onderzoek blijkt dat deze idealen sterk verschillen tussen verschillende buurten, maar dat ze wel telkens een grote impact hebben op hoe jongeren aanwezig mogen zijn en op hun ervaringen in de buurt. Afhankelijk van de buurt is er daardoor voor sommige jongeren of voor bepaalde manieren van aanwezig zijn weinig mentale ruimte. Hierdoor wordt hun aanwezigheid of gedrag snel geproblematiseerd. Jongeren krijgen zo enerzijds verwachtingen mee van wat een goede jongere en gepast gedrag is, maar krijgen anderzijds ook het gevoel er niet te mogen zijn wanneer ze hier niet aan voldoen. Dit kan er ook toe leiden dat ze niet meer aanwezig willen zijn en zet de manier waarop ze zich burger voelen onder druk[12]. Bovendien worden doorheen de verschillende sferen in verschillende buurten ook andere waarden en andere beelden van wat een goede samenleving is uitgedragen. In de private sfeer staan (de ontwikkeling van) het individu, private netwerken, commerciële belangen en individuele belangen centraal. Binnen de parochiale sfeer staan de eigen gemeenschap, daarbinnen geldende normen en waarden en gemeenschapsbelangen centraal. Het gevolg hiervan is dat jongeren opgroeien zonder een gevoel van publiek goed en gemeenschappelijk belang en zonder ervaringen van democratie in de publieke ruimte[13].

Dit alles samen leert jongeren – al dan niet bewust – heel wat over de samenleving en de eigen positie in die samenleving. Afhankelijk van de buurt en de kenmerken van de jongeren zelf is dat echter erg verschillend. Het onderzoek maakt zo duidelijk dat de publieke ruimte niet louter een achtergrond is waartegen opvoeding en ontwikkeling plaatsvindt, maar een mede-opvoeder[14] is die mee vormgeeft aan de relatie tussen jongeren en de samenleving. De publieke ruimte en het vormgeven aan die ruimte is dan ook niet neutraal, maar heeft steeds een pedagogische betekenis.

Bezorgdheid om het publiek karakter

Het bewerkstelligen van bijkomende mogelijkheden waarop en ruimte waarin jongeren aanwezig kunnen zijn, is dus nog steeds van groot belang, in het bijzonder in die buurten waar bewoners veel terugvallen op die publieke ruimte. Er is daarnaast ook nood aan een bewustzijn van en een bezorgdheid om het publiek karakter en de pedagogische betekenis van de publieke ruimte. Er moet dus niet alleen stilgestaan worden bij hoe jongeren aanwezig kunnen zijn in de publieke ruimte, maar ook bij de manier waarop ze aanwezig mogen en willen zijn, wat hen dat leert over de samenleving en hun eigen positie erin en de wenselijkheid van deze pedagogische betekenis.
Bij het streven naar jeugdvriendelijke ruimte mogen we dan ook niet vervallen in een streven naar een homogene publieke ruimte door exclusie van bepaalde groepen. Vaak bevinden zij zich reeds in een kwetsbare positie en zijn ze voor verschillende zaken aangewezen op de publieke ruimte. Het is eerder een kwestie van het (her)bevestigen van het publiek karakter en het publieke belang en het verruimen van de ontplooiingsmogelijkheden van kinderen, jongeren én volwassenen. Dat betekent niet dat alles kan of dat gedragsregulerende maatregelen niet mogelijk zijn, maar wel dat deze niet los kunnen staan van een debat over waar jongeren en andere bewoners dan wel aanwezig kunnen, mogen en willen zijn en de structurele, maatschappelijke condities waarin ze leven. Ook jongeren zijn zich daar zelf bewust van.

R7: Ze proppen ook alle mensen die minder kansrijk zijn samen en dat creëert ook ineens een plaats met keiveel vuil en… allez, dat hoort vaak samen of dat je het wilt of niet. En dat heeft niets te maken met of dat je arm bent of rijk, maar het is feit van iedereen wordt daarin gepropt. Je hebt dan ook niet het gevoel dat je welkom bent en je wilt ook niet welkom zijn voor anderen en… dat is volgens mij dan een geheel.
(Focusgroep Brabantwijk, 23 mei 2023)

Om dit mogelijk te maken is het belangrijk om structurele ongelijkheden te bevragen, maar is het ook nodig dat de bestaande orde onderbroken kan worden. Daarvoor moet er ruimte zijn of gemaakt worden voor politieke actie of dissensus: het toelaten van nieuwe elementen of nieuwe manieren van zijn die er op het eerste gezicht niet thuis lijken te horen. Het gaat dan dus niet om het per definitie uitsluiten van bepaalde gebruikers van of bepaald gedrag in de publieke ruimte, maar wel om het openbreken van de situatie zoals ze is en wie op welke manier aanwezig mag zijn. Aandacht voor de historische, economische en sociale context van een buurt en zijn bewoners is hiervoor cruciaal.

Daarvoor is het belangrijk om te investeren in aanwezigheid in buurten, in de leefwereld van bewoners. Dat kan door zelf rond te hangen, te observeren, of door te investeren in professionals die vertrekken vanuit de publieke ruimte en de buurt door en door kennen. Daarbij moet het gaan om meer dan vindplaatsgericht werken gericht op doorstroming naar andere pedagogische omgevingen. Het is belangrijk om ook professionals en praktijken te hebben die aan de slag gaan in en met de publieke ruimte zelf. Zij kunnen mediëren tussen verschillende gebruikers en gebruiken, en jongeren ondersteunen in hun activiteiten of acties die de bestaande orde in de publieke ruimte in vraag stellen. Het gaat dan om professionals zoals buurtwerkers, straathoekwerkers of (jeugd)opbouwwerkers die politiserend werken, de belangen van kinderen en jongeren verbinden met die van volwassenen en oog hebben voor structurele ongelijkheden.

Alle wegen leiden naar Zonnedorp?

Momenteel lijken dit soort professionals en dit soort praktijken echter nog vaak afwezig te zijn. Vandaar mijn pleidooi om op een andere manier te kijken naar de publieke ruimte en het vormgeven aan jeugdvriendelijke publieke ruimte. Niet als product, maar als een proces[15], een kwaliteit van de publieke ruimte die nooit af is en als dusdanig steeds opnieuw bevestigd moet worden. Dit vergt inspanningen en investeringen in het publiek karakter van de publieke ruimte, maar is belangrijk om niet in de val van het Zonnedorp-ideaal te trappen. Niet alle wegen leiden namelijk naar Zonnedorp!

Bronnen

[1] De Backer, M. (2016). The Publicness Paradox: Young people and the production of parochial places. Environnement Urbain/Urban Environment, 10, 1-20. Gedownload op 15 november 2023, van https://eue.revues.org/142

[2] Cahill, C. (2000). Street Literacy: Urban Teenagers’ Strategies for Negotiating their Neighbourhood. Journal of Youth Studies, 3(3), 251-277. doi:10.1080/71368437

[3] Cahill, C. (2000). Street Literacy: Urban Teenagers’ Strategies for Negotiating their Neighbourhood. Journal of Youth Studies, 3(3), 251-277. doi:10.1080/71368437

[4] De Backer, M. (2016). The Publicness Paradox: Young people and the production of parochial places. Environnement Urbain/Urban Environment, 10, 1-20. Gedownload op 15 november 2023, van https://eue.revues.org/142

[5] Moris, M. (2021, 7 december). ‘Wie het meest nood heeft aan publieke ruimte, heeft die het minst’. Sociaal.Net. Geraadpleegd op 29 maart 2024, op https://sociaal.net/achtergrond/sociale-ongelijkheid-in-publieke-ruimte/

[6] Pleysier, S. (2021). ‘No ball games’: de regulering van het gedrag van jongeren in de publieke ruimte. In N. Van Ceulebroeck, I. Pichal, C. Peeters, & D. Reynaert (Eds.), Dwalen met een doel: Lokaal kiezen voor kindvriendelijkheid (pp. 101-114). Bataljong vzw.

[7] Pleysier, S. (2021). ‘No ball games’: de regulering van het gedrag van jongeren in de publieke ruimte. In N. Van Ceulebroeck, I. Pichal, C. Peeters, & D. Reynaert (Eds.), Dwalen met een doel: Lokaal kiezen voor kindvriendelijkheid (pp. 101-114). Bataljong vzw.

[8] Moris, M. (2021, 7 december). ‘Wie het meest nood heeft aan publieke ruimte, heeft die het minst’. Sociaal.Net. Geraadpleegd op 29 maart 2024, op https://sociaal.net/achtergrond/sociale-ongelijkheid-in-publieke-ruimte/

[9] Biesta, G. (2012). Becoming public: public pedagogy, citizenship and the public sphere. Social & Cultural Geography, 13(7), 683-697. doi:10.1080/14649365.2012.72373

[10] Van Thomme, S., Lagaert, S., & Bradt, L. (2023). JOP-rapport kortlopend onderzoek Brussel. Perspectieven van Brusselse jongeren op de vrijplaatsen in hun buurt. Gedownload op 29 maart 2024, van http://hdl.handle.net/1854/LU-01HGZWZ1CMB96R7JQ6SB5SFW3A

[11] Lofland, L. (1989). The Morality of Urban Public Life: The Emergence and Continuation of a Debate. Places, 6(1), 18-23. Gedownload op  24 april 2024, van https://escholarship.org/uc/item/3k82388j

[12] Biesta, G., Lawy, R., & Kelly, N. (2009). Understanding young people’s citizenship learning in everyday life: The role of contexts, relationships and dispositions. Education, Citizenship and Social Justice, 4(5), 5-24. doi:10.1177/1746197908099374

[13] Biesta, G. (2012). Becoming public: public pedagogy, citizenship and the public sphere. Social & Cultural Geography, 13(7), 683-697. doi:10.1080/14649365.2012.72373

[14] De Visscher, S. (2015). The ideal child in the ideal city? The city as a co-educator. Gedownload op 20 februari 2023, van https://www.researchgate.net/publication/283462875_The_ideal_child_in_the_ideal_city_The_city_as_a_co-educator

[15] De Visscher, S. (2016). The subjectification of the child friendly city. Gedownload op 20 februari 2023, van https://www.researchgate.net/publication/310678339_The_subjectification_of_the_child_friendly_city_Keynote_paper

Lees het volledige artikel
11 jun, 2024
Info evenementen
Ga mee op pad!

In mei ’24 stappen we op drie plekken in Vlaanderen en Brussel de bus op om in verschillende gemeenten te gaan rondhangen. Waarom? Omdat rondhangen een heerlijke vrijetijdsbesteding is. OK, en ook om kennis te maken met dit fenomeen en hoe lokale besturen hiermee omgaan in verschillende contexten. En ook omdat de zon in mei (bijna) altijd schijnt en we daar allemaal nood aan hebben. En vooral, rondhangen wordt op elke plek anders beleefd, dat heeft te maken met heel veel verschillende factoren en elke inwoner gaat daar anders mee om. Dat zijn leerkansen die we niet mogen laten liggen.

Lees meer
Ontdek de praktijkverhalen hier
03 jun, 2024
Opinie
De camera draait – actie!

Dit opiniestuk van Dries Dingenen verscheen op 25 maart 2024 in De Standaard.

Meneer De Wever stelt in een recent artikel in De Standaard (19/3) dat de Antwerpenaren die hij spreekt hem nog nooit gevraagd hebben waarom er camera’s in hun buurt hangen, maar wel waarom er nog geen camera’s hangen. Deze stelling strookt niet met bevindingen die voortkomen uit een studie die we gevoerd hebben naar de beleving van de openbare ruimte en waarin we in gesprek zijn gegaan met jongeren uit de wijk Seefhoek. In deze veelbesproken buurt van Antwerpen heeft ‘Big Brother’ een duidelijke invloed op hoe jongeren de openbare ruimte ervaren en dus ook op het mentaal welzijn van deze jongeren.

Voor de studie ‘Een plek op maat en met mate(n) – Onderzoek naar Kinderrechten, Openbare Ruimte en Welzijn’, hebben we vanuit het ‘Expertisecentrum PXL People & Society Research’ van de Hogeschool PXL in Hasselt onderzocht wat jongeren belangrijk vinden aan de openbare ruimte en hoe de beleving van de openbare ruimte bijdraagt aan het welbevinden van jongeren. In dit nog vrij te geven onderzoek werd de toename aan camera’s in de openbare ruimte meermaals besproken door de deelnemende jongeren, die zowel uit een rurale als stedelijke context komen. Terwijl meerdere jongeren aangeven dat camera’s in de openbare ruimte het gevoel van veiligheid kunnen vergroten, vinden heel wat andere jongeren, vooral zij die in hun buurt effectief met camera’s geconfronteerd worden, dat de veelheid aan camera’s in de openbare ruimte een negatieve invloed op hun beleving van de openbare ruimte heeft.

Het viel tijdens een focusgroepsgesprek met jongeren uit de Seefhoekwijk op dat zij spontaan over de vele camera’s in hun buurt begonnen te spreken. De jongeren gaven aan dat zij zich heel de tijd bekeken voelen en dat het lijkt alsof iemand je de hele tijd volgt en met een smartphone filmt. Zo hebben verscheidene jongeren meerdere camera’s in hun straat hangen, zien zij de camera’s bewegen als zij voorbijkomen en tijdens het voetballen op de pleintjes hebben de camera’s een invloed op hun spel. Ze willen niet bekeken worden, het stoort namelijk als zij hun voetbalmatch spelen. In plaats van te investeren in camera’s vragen zij meer kwaliteitsvolle sport- en ontspanningsmaterialen op de pleintjes waar zij samenkomen, zich ontspannen en sporten. Dat gaat dan over goals in hout en niet in ijzer, voetbalkooien waaraan zij zich niet kunnen snijden, een plaats waar zij droog kunnen blijven bij regen en een ondergrond die niet van beton of steen is. Al te vaak scheuren hun kleren en hebben zij blessures tijdens het sporten. Zo hebben ze twee keer prijs: als ze zich pijn doen en nadien als ze op het matje geroepen worden omdat hun kleren kapot zijn.

Het gaat hier effectief over de pleintjes waarnaar in het recente artikel verwezen wordt als plaatsen waar hangjongeren voor nachtlawaai zorgen in de zomer. Opnieuw wordt ‘hangen’ hierdoor op een negatieve manier in beeld gebracht en wordt het dominant en negatief beeld van ‘hangjongeren’ versterkt. Dit beeld strookt niet met wat sociaalwetenschappelijk onderzoek herhaaldelijk heeft aangetoond, nl. dat rondhangen in de openbare ruimte wel degelijk belangrijk is voor de psychosociale ontwikkeling van jongeren. Zo werd in Vlaanderen het belang van rondhangen voor jongeren meer dan een decennium geleden al beklemtoond binnen de ‘Hangman-campagne’. Zeer recent werd deze campagne nieuw leven ingeblazen onder de noemer ’De Hangmakers’: een pleidooi voor rondhangen in de publieke ruimte met bijhorende handvatten voor een krachtig rondhangbeleid, een game om het gesprek tussen jongeren, jeugdambtenaren en beleidsmakers te stimuleren en verscheidene principes van een sterke rondhangvisie. Binnen die visie wordt ronghanden als een recht van iedere jongere gezien, hetgeen in lijn ligt met het actieplan ‘Mee(r) naar buiten?!’ dat Vlaams Minister van jeugd, Benjamin Dalle, in april van vorig jaar lanceerde. De minister wil jongeren op alle dagen van het jaar de deur uit krijgen. Voor de jongeren uit de Seefhoek die we spraken voor onze studie, komt duidelijk naar voor dat de veelheid aan camera’s hen niet stimuleert om naar buiten te komen.

Gaan de camera’s hun doel voorbij?

Opvallend is dat de jongeren uit de Seefhoek die deelnamen aan onze studie, wel tevreden zijn over de ‘bodycams’ die de Antwerpse politie tegenwoordig draagt. Volgens de jongeren wordt er hierdoor op een rustigere manier met hen omgegaan. Tijdens het gesprek geven de jongeren aan dat de vaste camera’s in hun buurt oorspronkelijk geïnstalleerd werden om de drugscriminaliteit aan te pakken. Zij erkennen het belang van deze maatregel ten zeerste. De jongeren geven zelfs aan dat bepaalde straten in hun buurt best vermeden worden, zeker als meisje of als vrouw. Dit neemt niet weg dat de veelheid aan camera’s in hun buurt al lang niet meer enkel voor drugscriminaliteit worden ingezet. De jongeren spreken over ervaringen van vrienden waarbij een vergeten blikje cola op een bank enkele weken later tot een boete in de brievenbus leidt. Het klopt dat blikjes in de vuilnisbak horen, maar voor jongeren van dertien à veertien jaar zijn zulke boetes zeer moeilijk te bekostigen. Zulke ervaringen met de ‘grote broer van ’t Stad’ zorgt er volgens de jongeren voor dat zij zich niet meer durven uit te leven, je zou maar eens een bal verkeerd trappen.

“Als je niets verkeerd doet, heb je ook niets te vrezen van camera’s in de openbare ruimte!’” noteerden we meermaals uit de mond van jongeren in onze studie. Deze stelling kreeg telkens ook tegenwind van andere jongeren omdat ze niet de kern van de zaak raakt. De jonge-ren in onze studie hadden dus ook geen eenduidige visie op de materie. Daarnaast komt naar voor dat camera’s de bewegingsvrijheid en het spelplezier van sommige jongeren kunnen inperken. In onze studie brengen we deze bevinding in relatie met de notie van mentaal welbe-vinden door te stellen dat een negatieve beleving van de openbare ruimte ervoor kan zorgen dat jongeren in mindere mate naar buiten gaan, hetgeen hun ontwikkelings- en ontplooiingsmogelijkheden, hun autonomie en hun identiteitsontwikkeling niet ten goede kan komen. Vanuit deze vaststelling lijkt het relevant om na te denken of camera’s in de openbare ruimte ingezet moeten worden om kattenkwaad en vergetelheden te beboeten.

Jongeren betrekken bij de organisatie van de openbare ruimte

Door onderzoekers met expertise over jongeren in de openbare ruimte wordt aangegeven dat de inrichting van de openbare ruimte allesbehalve neutraal is. Meer zelfs: die inrichting geeft een maatschappelijk visie weer op de plaats van jongeren in de openbare ruimte én dus ook op hun plaats in de samenleving. Uit onze beleidsgerichte studie komt duidelijk naar voor dat jongeren graag zelf in gesprek gaan over die plaats én over de inrichting van de openbare ruimte. Ook vanuit het Vlaamse Departement Jeugd komt de klare boodschap dat jongerenparticipatie essentieel is om invulling te geven aan hun kinder- en mensenrechten en dat jongeren co-creatoren van de openbare ruimte dienen zijn. Bij het organiseren van participatie is het wel belangrijk dat de inbreng van jongeren serieus wordt genomen en dat participatie niet bij deliberatie blijft, maar ook tot beslissingen en actie leidt. Zo hebben enkele jongeren uit de Seefhoek die deelnamen aan ons onderzoek al meermaals hun zeg mogen doen over de organisatie van de openbare ruimte in hun wijk. Deze initiatieven hebben echter weinig positief gevolg gekregen, integendeel zelfs, de jongeren zien de zitbanken op hun favoriete hangplekken verdwijnen. Toch zijn het net die zitbanken, maar ook andere plaatsen om, liefst ook in groep, met vrienden af te spreken die door jongeren naar voren worden geschoven als essentiële zaken om hen naar buiten te krijgen. Niet alleen investeren in camera’s lijkt daarom de boodschap, maar ook inzetten op bestaande initiatieven zoals jeugdwerkingen en jeugdraden, op dialoog tussen de vele gebruikers van de openbare ruimte en ook toelaten dat jongeren zich plekken in de openbare ruimte eigen maken, en dit proces zelfs faciliteren, zodat zij volwaardig deel kunnen uitmaken van onze samenleving.

Lees het volledig onderzoek
24 jun, 2024
custom
Copyright © De Hangmakers
Design & illustraties van designed.by.lies & development door RegioWebsites